Taken en Bevoegdheden

Hoofdstuk 11
Taken en Bevoegdheden

1814 – 1995

(Taken en Bevoegdheden). Geschreven door mijn goede vriend en collega Jacques Hendrix, die tijdens een tragisch fietsongeval, om het leven kwam, (brigadecommandant van 01-01-1990 tot 25-05-1992). Jacques stond bekend als vakman op het gebied van regel- en wetgeving. Van hogerhand werd er regelmatig een beroep op hem gedaan, onder andere bij het samenstellen van de Vreemdelingen Circulaire 1982. Zijn vakkennis gaf hem autoriteit die ten goede kwam aan de brigade Venlo.

Marechaussee te voet in grote en kleine tenue 1814-1844. (Taken en Bevoegdheden)

Marechaussee te voet in grote en kleine tenue 1814-1844.

De taken en bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee beginnende in het jaar 1814, het jaar dat het Korps Marechaussee werd opgericht. Er zal een Korps Marechaussee worden opgericht belast met de taken:

  1. Handhaving van de orde;
  2. De uitvoering van de wetten te verzekeren;
  3. Het waken voor de veiligheid aan de grenzen en grote wegen.

1815
‘Reglement op de policie, discipline en dienst der Marechaussee’. Daarin waren onder andere rechten, plichten en bevoegdheden der Koninklijke Marechaussee geregeld. Vooral in artikel 11, dat uit 31 punten bestond, zijn de opgedragen taken vermeld. In artikel 11, punt 31 stond onder andere als taak: ‘Het in verzekerde bewaring nemen van alle vreemdelingen die of geheel zonder, of met paspoorten niet overeenstemmende met de voorschriften der wet, binnen’s lands rondreizen, onder verplichting hen voor Maire (burgemeester) te geleiden’. In artikel 14 van dit reglement wordt een legitimatieplicht (paspoort-vertoningsplicht) beschreven van vreemdelingen ten aanzien van Marechaussee personeel.

Vóór 1849
De Koninklijke Marechaussee verrichtte aan de grenzen zelf geen grensbewaking of vreemdelingen toezicht, maar wel patrouilles in het grensgebied.

Wet van 13 augustus 1849
Hierin vinden we begrippen als: recht op toelating en reis- en verblijfpas. Daarin stond dat voor toelating tot ons land onder andere een geldig paspoort was vereist. Dit kan dus als voorloper van onze huidige grensbewaking worden beschouwd.

Circa 1851
Werd het eerst gesproken over grensbewaking.

1857
Er werd meer inhoud gegeven aan het begrip grensbewaking en toezicht op vreemdelingen. Ook de taakomschrijving van de Koninklijke Marechaussee kreeg meer gestalte.

Begin 1900
In het begin van 1900 werd een aantal onderofficieren van de Koninklijke Marechaussee benoemd als buitengewoon commies1 van Belastingen. Dit duurde tot de nieuwe Algemene Wet Douane en Accijns (in werking getreden 1 oktober 1962). Dat was niet erg vreemd, want in die tijd had de Koninklijke Marechaussee gelet op artikel 11, punt 9, Reglement 1815, de opdracht om beambten van de Douane en houders van dwangbevelen ter invordering van Rijkspenningen en uitvoerders van bevelen der Justitie te beschermen.

26 juli 1919
Oprichting van het ‘Korps Politie Troepen’ ter verlichting van de taak van de Koninklijke Marechaussee. De oprichting had te maken met de toestand die ontstond in ons land na de 1e Wereldoorlog (1914-1918). De stijging van de criminaliteit nam toe evenals de smokkel. Er ontstond in die tijd een toeloop van vreemde militairen in de vorm van deserteurs en vluchtelingen.

Wet van 10 januari 1920 met Bewakingsvoorschrift 1920
De grensbewaking werd verfijnd en doorlaatposten werden ingesteld terwijl er nog de staat van beleg was aan de oost- en zuidgrens. In deze wet dook de definitie ‘militaire en politiële grensbewaking’ op. Deze is in gebruik gebleven tot de nieuwe Vreemdelingenwet van 1 januari 1967. Onder ‘politiële grensbewaking’ werd verstaan de Rijkspolitie-zorg uitgeoefend in de bewakingsgebieden. Onder ‘militaire grensbewaking’ werd verstaan het veiligheidsaspect van de ‘politiële grensbewaking’.

Koninklijk Besluit van 1 juli 1939
Instelling van bewakingsgebieden 1e en 2e linie, als gevolg van de dreigende oorlog met Duitsland. In het bewakingsgebied 1e linie werd de grensbewaking in de 1e plaats door de Koninklijke Marechaussee verricht, door de ‘Rijksveldwacht’ (opgericht op 1 januari 1958), het ‘Korps Grenscontroleurs’ (opgericht in 1939), de Invoerrechten en Accijnzen (I & A) en andere militairen. Het ‘Korps Grenscontroleurs’ werden voor de grensbewaking geacht onder de Rijkspolitie te vallen (Rijkspolitie volgens Rijkspolitiebesluit van 1935 = Koninklijke Marechaussee en ‘Rijksveldwacht’) zij verrichtten dienst onder verantwoordelijkheid van de brigadecommandant Koninklijke Marechaussee.

Het buitengewoon Politiebesluit van 27 september 1944
Hierin viel de Koninklijke Marechaussee nog onder het begrip Rijkspolitie en daarom ook onder het Ministerie van Justitie. Dit besluit werd afgekondigd in afwachting van een nadere regeling van de organisatie van de Politie.

1 augustus 1945
Beschikking nopens de Koninklijke Marechaussee, gelet op het Rijkspolitiebesluit van 1935. Taken der Koninklijke Marechaussee:

  1. militaire bijstand;
  2. militaire Politiezorg;
  3. verzorging van de grensbewaking, inclusief de bediening van de doorlaatposten, onder bevel van de Minister van Justitie.

Enkel gebruik maken van de algemene opsporingsbevoegdheid. De nieuwe Rijkspolitie kreeg een ander uniform ter onderscheiding van de Koninklijke Marechaussee.

Politiebesluit van 8 november 1945
De Politie bestond uit:

  1. Rijkspolitie in gemeenten waar geen Gemeentepolitie was;
  2. Gemeentepolitie;
  3. Bepaalde burger of militaire Korpsen (hier werd niet de Koninklijke Marechaussee bedoeld);
  4. Commissaris van de Rijkspolitie, Waterschouten2 en andere bijzondere ambtenaren van Rijkspolitie;

De Koninklijke Marechaussee werd hierin niet meer als Politie genoemd. In artikel 15 werd de Koninklijke Marechaussee enkel voor ‘politiële bijstand’ vermeld. In dit artikel werd de ‘militaire bijstand’ apart geregeld. Als gevolg van dit besluit zou de Koninklijke Marechaussee haar oude positie niet meer terug krijgen.
Door dit Politiebesluit en het daardoor vervallen van het Rijkspolitiebesluit van 1935, was de basis voor de ‘Beschikking Koninklijke Marechaussee’ van 1945 ontnomen en moest er een nieuwe regeling komen. Er ontstond een touwtrekken tussen de Ministers van Oorlog en Justitie. De Minister van Oorlog wilde meer bevoegdheden voor de Koninklijke Marechaussee (opsporingsbevoegdheid bijvoorbeeld bij de grensbewaking ruim interpreteren, zelfs uitbreiden tot verkeerstoezicht in het grensgebied.) De Minister van Justitie verwierp dat. Er volgde uiteindelijk toch overeenstemming en er kwam een Koninklijk Besluit Koninklijke Marechaussee.

Na 1945 (2e Wereldoorlog).
De Rijkspolitie werd opgericht en nam de algemene Politietaak van de Koninklijke Marechaussee over. De Koninklijke Marechaussee behield echter de taak grensbewaking. Artikel 141, Wetboek van Strafvordering (algemene opsporingsbevoegdheid) bleef tot 1957 ongewijzigd. Dat betekende dat de Koninklijke Marechaussee volledige opsporingsbevoegdheid had volgens deze Wet.

1946 Koninklijk Besluit Koninklijke Marechaussee en een Beschikking Koninklijke Marechaussee
Taken:

  1. Politiedienst ten behoeve van het leger;
  2. Politiedienst buiten het leger, lees: waken Koninklijk Huis en grensbewaking;
  3. Andere opgedragen taken.

Ten aanzien van taak 2, werd de Koninklijke Marechaussee als Politie beschouwd, bij patrouillegang ter uitvoering van de ‘politiële en militaire grensbewaking’. Opsporingsbevoegdheid bij heterdaad zaken (op of nabij doorlaatposten volledige opsporingsbevoegdheid).

Het Besluit Koninklijke Marechaussee en de daarbij behorende Beschikking kwamen uiteindelijk toch niet tot stand. De behandeling werd uitgesteld tot de gehele regeling van het Politievraagstuk ter hand werd genomen (Nieuwe Politiewet). Teneinde te voorkomen dat de Koninklijke Marechaussee niet in de ‘lucht bleef hangen’, ontstond het convenant (gentlemen agreement) waarbij het Besluit en de Beschikking als grondslag bleven. We moeten echter niet vergeten dat volgens artikel 141, Wetboek van Strafvordering de Koninklijke Marechaussee nog volledige opsporingsbevoegdheid bezat, die door dit convenant werd beperkt.

1951 Brief 3001
Regeling tussen de Koninklijke Marechaussee en Rijks- en Gemeentepolitie, in hoofdzaak met betrekking tot aanrijdingen. Daarin was tevens geregeld om onderzoeken, ontdekt tijdens de patrouillegang of de grensbewaking, waarbij een nader onderzoek noodzakelijk was, over te dragen aan de competentie Politie3. We moeten bedenken dat er toen nog geen takenbesluit van kracht was en dat artikel 141, Wetboek van Strafvordering, de Koninklijke Marechaussee volledige opsporingsbevoegdheid toekende. We moeten deze brief dus plaatsen in die tijd, dat wil zeggen dat men het convenant hanteerde als basis en de Koninklijke
Marechaussee die bij een aanrijding kwam, in feite
volledige opsporingsbevoegdheid bezat.

6 februari 1954 Het Takenbesluit Koninklijke Marechaussee
Onverminderd de bevoegdheden van Rijks- en Gemeentepolitie:

  1. Het waken voor de veiligheid van ons en de leden van ons huis;
  2. Politietaak ten behoeve van de Nederlandse strijdkrachten en ten aanzien van de tot die strijdkrachten behorende personen;
  3. Politietaak ten behoeve van andere dan Nederlandse strijdkrachten, evenals internationale hoofdkwartieren, evenals ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen en ten aanzien van de echtgeno(o)te(n) van niet Nederlandse militairen behorende tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren en hun kinderen, die van hen afhankelijk zijn;
  4. Het uitoefenen van de grensbewaking conform de Vreemdelingenwetgeving, waaronder begrepen bediening doorlaatposten (personencontrole);
  5. Verlenen van bijstand, handhaving openbare orde;
  6. Het tijdens de grensbewaking medewerken bij aanhouding of voorgeleiding van een verdachte en de tenuitvoerlegging van strafvonnissen;
  7. Het uitoefenen van bij Bijzondere Wetten en Besluiten aan de Koninklijke Marechaussee opgedragen taken;
  8. Beveiliging van de Nederlandse Bank.

18 november 1957 Aanwijzingbeschikking
Aanwijzingbeschikking opsporingsambtenaren Politie en Marechaussee (in werking getreden op 1 januari 1958) genaamd: ‘Aanwijzingbeschikking Opsporingsambtenaren en Hulpofficieren van Justitie’. Gevallen waarin de officieren en onderofficieren en de Marechaussee der 1e klasse algemeen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering waren.

  1. In alle gevallen waarin:
    a) Zij werkzaam zijn in de uitoefening van de taken als bedoeld in het Takenbesluit;
    b) Zij stuiten op strafbare feiten jegens de Koninklijke Marechaussee begaan, ter zake de uitoefening van die taken;
    c) Zij op of nabij de doorlaatpost aan de land- of zeegrens dan wel op een doorlaatpost in een luchthaven werkzaam zijn (ook I&A doorlaatposten);
    d) Zij op aanwijzing van de Ministers van Defensie en Justitie, na overleg met de Minister van Binnenlandse zaken, in samenwerking met de Rijks- of Gemeentepolitie, optreden ter opsporing van strafbare feiten.
  2. Zij zijn voorts met het opsporen belast:
    e) Indien zij tijdens de uitoefening van de hun opgedragen taken op het gebied van de grensbewaking of vreemdelingentoezicht, toevalligerwijze stuiten op strafbare feiten;
    f) Van strafbare feiten gepleegd door personen behorende tot een internationaal hoofdkwartier (AFCENT thans AFNORTH4).
  3. Zij zijn buiten voornoemde gevallen met opsporing belast indien er noodzaak tot optreden bestaat wegens onmiddellijk dreigend gevaar voor eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed.

In zijn brief van 23 december 1957 gaf commandant Koninklijke Marechaussee, brigade generaal de Zeeuw, een toelichting met voorbeelden op de inwerkingtreding van de Aanwijzingbeschikking. Uiteraard gebeurde dat in overleg met de Ministers van Defensie, Justitie en Binnenlandse Zaken.

11 april 1960 Inwerkingtreding Beneluxverdrag
Personencontrole aan de binnengrenzen van de Benelux werd verlegd naar de buitengrenzen van de Benelux. De 1e en 2e linie bleven aan de zuidgrens bestaan tot 1 januari 1967 (nieuwe Vreemdelingenwet). De Koninklijke Marechaussee begon met het zogenaamde gadeslaan aan de zuidgrens. De meeste groene grens brigades aan de zuidgrens werden langzamerhand opgeheven5 en de Marechaussee patrouilleerde enkel nog in het grensgebied en maakte gebruik van hun opsporingsbevoegdheid (heterdaad tijdens de grensbewaking en spoorde illegale vreemdelingen op ter verwijdering naar België, een en ander op grond van de Vreemdelingen Circulaire nummer 14.) Dit opsporen van illegale grensoverschrijders (illegale in een andere betekenis, onregelmatig) door de met grensbewaking belaste ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee was terug te vinden in de Vreemdelingenwet van 1 januari 1967.
Mede door de grootschalige bijstandverlening6 aan Amsterdam in de 2e helft van de jaren 60, stierf het gadeslaan en de patrouillegang in de grensstreek aan de zuidgrens vanzelf uit. De taak (secundaire grensbewakingstaak) uitzetten7 en overnemen van personen8, bleef gehandhaafd vooral door de brigade Roosendaal. Andere aangewezen brigades voerden die taak nauwelijks uit. De taak uitzetten en overname was gebaseerd op artikel 9 van de Beneluxovereenkomst en nader uitgewerkt in de Beschikking van 28 juni 1967 en de Grensbewaking Circulaire.
Niet uit het oog mocht worden verloren – echter jammer genoeg bij weinigen bekend – het arrest van 26 juni 1962 van een voorval te Roosendaal. De Hoge Raad stelde daarin dat het Beneluxverdrag geen beperkingen had opgelegd ten aanzien van de toepassing van de nationale voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. Het niet daadwerkelijk uitoefenen van de patrouillegang aan de zuidgrens door de Koninklijke Marechaussee ontstond tegen het einde van de jaren 70.

1 oktober 1962 De nieuwe Algemene Wet Douane en Accijnzen
Met deze nieuwe Wet was het niet meer mogelijk dat de Koninklijke Marechaussee – zoals voorheen – kon worden aangesteld tot buitengewoon commies van Rijksbelastingen. Dat waren voornamelijk de Grensveiligheidsdiensten9. Zij verloren de bevoegdheid om in het binnenland (2e linie) voertuigen te visiteren10. De nieuwe situatie gaf deze visitatiebevoegdheid (zonder dat er sprake was van een verdachte) enkel aan ambtenaren I&A. Voor de algemene opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee bleef deze visitatiebevoegdheid wel van kracht als bedienaar van een doorlaatpost. De bevoegdheid betrof tevens de inbeslagname van smokkelvoertuigen, maar de afhandeling liep door tussenkomst van de inspecteur I&A (artikel 213).
In artikel 202 waren aan de inspecteur van I&A bevoegdheden zoals voorgeleiding108 toegekend, die leken op de voorgeleiding bij een Hulpofficier van Justitie. Deze inspecteur was echter niet als Hulpofficier van Justitie genoemd, dus had hij enkel bevoegdheid tot voorgeleiding in geval van een misdrijf van bedoelde Algemene Wet en indien de aanhouding11 plaats vond in het terrein van toezicht. (Terrein van toezicht was maximaal 5½ kilometer van de grens). Indien inverzekeringstelling12 nodig was dan diende voorgeleiding te geschieden bij een Hulpofficier van Justitie of Officier van Justitie.

1 januari 1967 Nieuwe Vreemdelingenwet
Gelijk met de nieuwe Vreemdelingenwet werd de nieuwe Vreemdelingen Circulaire van kracht. Tegelijkertijd vervielen de bewakingsgebieden 1e en 2e linie. Daarom moest de ‘Aanwijzingbeschikking opsporingsambtenaren en Hulpofficieren van Justitie’ worden aangepast. De tekst: in de 1e linie verviel. Er bleef staan: tijdens opgedragen grensbewaking. Aanvankelijk was het beleid er van de zijde van de Koninklijke Marechaussee op gericht dat de grensbewaking en het gebruiken van de algemene opsporingsbevoegdheid tijdens de grensbewaking aan de zuidgrens onverkort van kracht bleef. Dit getuige de bestaande brieven van de zijde van de Koninklijke Marechaussee.

16 februari 1968 Aanwijzing ambtenaren I&A als onbezoldigd ambtenaar Rijkspolitie
Bij beschikking werden de ambtenaren van I&A, voor zover zij bij en krachtens de Vreemdelingenwet de grensbewaking uitoefenden, aangewezen als onbezoldigd ambtenaar van het Korps Rijkspolitie. Als reden van deze aanwijzing werd destijds opgegeven om op deze wijze te vallen onder het begrip ‘dienaar van de openbare macht’. Zonder onder dat begrip te vallen zou de I&A geen signaleringen ten uitvoer kunnen brengen. Dienaar der openbare macht waren in ieder geval de ambtenaren van Rijkspolitie, Gemeentepolitie en militairen (dus ook de Koninklijke Marechaussee), openbare burgerlijke en gewapende macht zoals bedoelt in artikel 556 van het Wetboek van Strafvordering. De juiste reden van deze aanwijzing van de I&A was niet bij de I&A bekend en werd door velen op een eigen wijze geïnterpreteerd. Formeel hadden zij hierdoor algemene opsporingsbevoegdheid.

Ik ben echter van mening dat de I&A van deze bevoegdheid geen gebruik kon maken op doorlaatposten, die door de Koninklijke Marechaussee werden bediend, omdat zij daar niet de grensbewaking uitoefenden. Hieromtrent bestond bij de I&A-leiding geen gelijkgezindheid. In ieder geval vermeldden de I&A ambtenaren wel steeds in hun proces-verbaal (ook aan de doorlaatposten bediend door de Koninklijke Marechaussee) dat zij onbezoldigd ambtenaar van Rijkspolitie waren. Uitgaande van de redenering dat zij niet opsporingsbevoegd waren aan doorlaatposten bediend door de Koninklijke Marechaussee, zou bijvoorbeeld inhouden dat zij niet bevoegd waren tot het opsporen van overtredingen van de Wapenwet van 1890. Daarin waren namelijk geen opsporingsambtenaren aangewezen, dat impliceerde dat de ambtenaren van artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bevoegd tot opsporen waren13.

1 januari 1977 Vreemdelingentoezicht zuidelijke provincies
Gelet op de beschikking van 26 november 1976 werd de Koninklijke Marechaussee, gelet op artikel 4, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet, aangewezen als ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, voor de drie zuidelijke provincies. Een en ander onder leiding van het plaatselijk Hoofd van Politie. Deze aanwijzing had aanvankelijk te maken met de grote toeloop van zigeuners vanuit België, waarvoor onvoldoende Politiepersoneel voorhanden was.

Aanvankelijk werd de Koninklijke Marechaussee voor dit vreemdelingentoezicht voor 1 jaar aangewezen. Met ingang van 1 januari 1984 werd deze periode 3 jaar en bij Beschikking van 1 januari 1990 voor onbepaalde duur verlengd. In het belang van een goede en efficiënte taakuitoefening werd ook de Aanwijzingbeschikking aangepast en wel zodanig dat de Koninklijke Marechaussee tijdens het vreemdelingentoezicht opsporingsbevoegdheid kreeg ten aanzien van zaken waarop zij toevalligerwijze stuitte. In feite op dezelfde voet zoals dat aan de oostgrens ten aanzien van de grensbewakingpatrouilles al lang bestond. Het transactiebesluit14 werd echter niet uitgebreid tot de zuidgrens. De Koninklijke Marechaussee had enkel transactiebevoegdheid ten aanzien van eenieder tijdens de grensbewaking aan de oostgrens. Hierbij werd buiten beschouwing gelaten dat de Koninklijke Marechaussee ook transactiebevoegdheid had op grond van andere taakuitoefeningen (Politiedienst ten behoeve van vreemde militairen en personen behorende tot internationale hoofdkwartieren en de gezinsleden). Op deze categorie zou namelijk ook tijdens het toezicht op vreemdelingen aan de zuidgrens gestuit kunnen worden, in welk geval de Koninklijke Marechaussee transactie kon aanbieden.

1 februari 1983 Nieuwe Vreemdelingen Circulaire 1982
In deze circulaire (3 delen) was niets meer – zoals voorheen het geval was – opgenomen over de grensbewaking. Dat zou in de latere Grensbewaking Circulaire 1984 worden opgenomen. Deze opzet was veel overzichtelijker. Er was voor ‘de man op de werkvloer’ beter mee te werken.

1 mei 1984
Versoepeling grensoverschrijding EG-onderdanen.

  1. De zogenaamde wandelwegen15 waren aanvankelijk bestemd voor Duitsers en Benelux onderdanen. Dit werd uitgebreid met EG-onderdanen;
  2. De kleine Douaneposten die ’s avonds gesloten waren, bleven open voor EG-onderdanen die woonachtig waren in de aangrenzende gemeente(s);
  3. De in de Regeling Klein Grensverkeer met Duitsland neergelegde beperking van grensoverschrijding buiten de doorlaatposten tussen 23.00 uur en 06.00 uur werd voor EG-onderdanen opgeheven.

1 juni 1984 Grensbewaking Circulaire 1984
Speciaal ontworpen voor de ambtenaren belast met de grensbewaking.

14 juni 1985 ‘Akkoord van Schengen’
Op 14 juni 1985 tekenden de Beneluxlanden, de Bondsrepubliek Duitsland en Frankrijk het ‘Akkoord van Schengen’ (ook wel ‘Schengen’ genoemd) met het oog op de afschaffing van de grenscontroles op personen tussen deze landen. Op 19 juni 1990 werd vervolgens een Uitvoeringsovereenkomst gesloten, waarin de maatregelen waren vervat die nog genomen moesten worden om de controles aan de grenzen ook daadwerkelijk te kunnen afschaffen. Daarna traden nog toe Italië (1990), Spanje en Portugal (1991), Griekenland (1992), Oostenrijk (1995), Denemarken, Finland en Zweden (1996). Het Verenigd Koninkrijk en Ierland sluiten zich vooralsnog niet bij ‘Schengen’ aan. Eén argument daarvoor is, dat beide landen al een ‘Common Travel Area’ (geen paspoortcontrole tussen het Verenigd Koninkrijk en Ierland) zijn en dat zij geen binnengrenzen met andere landen van de Europese Unie hebben. Overeenkomstig het ‘Schengen-protocol’ kunnen Ierland en het Verenigd Koninkrijk aan alle of aan een deel van de bepalingen van het Schengen-aquis16 deelnemen; hiervoor is in de Raad17 eenparigheid van stemmen nodig van de lidstaten die de akkoorden wel ondertekend hebben.
Noorwegen en IJsland zijn geassocieerd lid en zullen volledig uitvoering geven aan het ‘Schengen-acquis’. Beide landen behoren samen met Zweden, Finland en Denemarken tot de Noordse paspoortunie, die de controles aan hun gemeenschappelijke grenzen hebben afgeschaft. Overeenkomstig artikel 6 van het ‘Schengenprotocol’ (bij het Verdrag van Amsterdam) hebben IJsland en Noorwegen een afzonderlijke overeenkomst gesloten met Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Met Zwitserland wordt nog onderhandeld over toetreding tot het ‘Akkoord van Schengen’. Om het opgeven van de controle aan de binnengrenzen te compenseren, is een aantal maatregelen genomen:

  1. Invoering van het ‘Schengen Informatie Systeem’ (SIS), een geautomatiseerd opsporingsregister van zowel gezochte personen als wapens, identiteitsdocumenten, geld en bepaalde gestolen goederen, dat de Politie- en overige opsporingsdiensten van de ‘Schengen-landen’ kunnen raadplegen;
  2. Strengere, uniforme controles van personen en bagage aan de buitengrenzen van het ‘Schengengebied’, ook op luchthavens en in havens;
  3. De ‘Schengen-landen’ voeren zo veel mogelijk één asielbeleid. Tussen de deelnemende landen geldt de afspraak dat een asielzoeker maar in één van de deelnemende landen een asielaanvraag kan indienen. Als deze wordt afgewezen, dan hoeft een ander land de aanvraag niet opnieuw in behandeling te nemen. De ‘Schengen-landen’ handhaven wel hun eigen criteria voor de behandeling van asielverzoeken;
  4. De ‘Schengen-landen’ hanteren één uniform visum, dat moet gelden voor het gehele ‘Schengen-gebied’ voor een periode van drie maanden;
  5. De samenwerking tussen de Politieapparaten rond de binnengrenzen van ‘Schengen’ gaat verder dan die tussen andere landen. Zo zijn er afspraken gemaakt over een communicatiestructuur, gezamenlijk optreden, grensoverschrijdende observaties en het recht van achtervolging over de grens.

De belangrijkste maatregelen die de lidstaten van de ‘Schengen-ruimte’ hebben genomen, betreffen verder onder meer:

  1. De gemeenschappelijke vastlegging van de voorwaarden voor het overschrijden van de buitengrenzen;
  2. De scheiding van reizigers uit de ‘Schengen-ruimte’ en die van buiten deze zone op luchthavens en in havens;
  3. Harmonisatie van de instructies aan en de opleiding van het personeel;
  4. De vaststelling van de rol van transportondernemingen in de strijd tegen illegale immigratie;
  5. De verplichte aanmelding voor onderdanen van derde landen die van het ene naar het andere land reizen;
  6. De versterking van de samenwerking van justitieautoriteiten via een regeling voor een snellere uitlevering18 en een beter systeem om de uitvoering van straffen te coördineren.

Het uiteindelijke doel was de afschaffing van de grenscontrole binnen alle ‘Schengen-landen’ in 1992. Gestart werd met een ‘visuele controle’ van grensoverschrijdend personenverkeer van ‘Schengenonderdanen’ aan landdoorlaatposten, aan de binnengrenzen van de ‘Schengen-landen’. Hoewel in het Verdrag niet met zoveel woorden vermeld, gold de versoepeling ook ten aanzien van onderdanen van lidstaten van de EG en de Raad van Europa, met uitzondering van visumplichtigen.

Er werden geen infrastructurele maatregelen genomen (te hoge kosten). Wel werden aan de grensovergangen de ‘stoplichten’ verwijderd en werden er op de meeste plaatsen snelheidsbeperkende maatregelen genomen door het plaatsen van borden (10 km/h.) Het bord Douane werd verwijderd. In de praktijk kwam het er op neer dat ongeveer 1 op de 20 voertuigen werd gecontroleerd. Voorheen was dat al 1 op 10. Er werd een groene stip (sticker) ingevoerd waarmee de bestuurder van een motorvoertuig kenbaar kon maken dat hij een EG-onderdaan was. Hiervan werd echter zeer weinig gebruik gemaakt, temeer omdat deze sticker geen rechtsgeldigheid had. Foutief gebruik was niet strafbaar in Nederland.

Aanvankelijk liepen de resultaten uit de grensbewaking iets terug, maar dit stabiliseerde weer in zeer korte tijd. Op grond van artikel 11 van het ‘Akkoord van Schengen’ vond er geen systematische controle meer plaats van grensoverschrijdend goederenvervoer. Bedoeld werden de controles van de Rijtijdenwet, controle van afmetingen en gewichten en andere technische controles van vrachtvoertuigen.

1 juli 1995
Tot 1 juli 1995 bleef de brigade Venlo belast met de grensbewaking aan de oostgrens en de doorlaatpost Venlo-Station. Op 1 juli 1995 kreeg de brigade Venlo een nieuwe taak. De taak mobiel toezicht vreemdelingen. De doelstelling was geen statische maar mobile controle van personen op binnenlands grondgebied in de directe nabijheid van de grens. De voorwaarde was dat er sprake was van een grensganger en dat er na de grensoverschrijding nog geen of nauwelijks vermenging met het overige verkeer had plaatsgevonden. De controle was gericht op de illegale immigratie.

Taken en Bevoegdheden, © 2005 Uitgeverij F.H.J. Schallenberg

Ga verder naar Hoofdstuk 12


Show 18 footnotes

  1. Grensbeambte of tolbeambte. Titel van zekere ambtenaren in overheidsdienst
  2. .  Rijksambtenaar met opsporingsbevoegdheid, die onder andere belast is met het toezicht op de monstering van zeelieden
  3. Bevoegdheid tot handelen of oordelen
  4. Alied Forces Central Europe, nu Allied Forces North Europe in Brunssum
  5.  Een brigade wordt niet gesloten maar opgeheven
  6. Hippietijd
  7. Het uit Nederland verwijderen (uitzetten) van personen met de “sterke arm”
  8. Het overnemen van personen aan de grens
  9. Inlichtingendienst binnen de Koninklijke Marechaussee, opgezet om gegevens afkomstig van de grensbewaking te verzamelen. Belangrijkste taak van deze dienst was het registreren van het personenverkeer over de landgrenzen
  10. Ter plaatse of aan den lijve onderzoeken op smokkelwaar
  11. Onder aanhouding wordt verstaan het vatten of beetpakken (arresteren) van de verdachte
  12.  Het in verzekerde bewaring stellen. In belang van het onderzoek ter beschikking van justitie blijven op een aangeduide plaats
  13. In een wet worden gebruikelijk ambtenaren aangewezen die bevoegd zijn tot het opsporen van strafbare feiten van deze wet. In de Wapenwet van 1890 was hiervan echter geen sprake. Dit hield in dat enkel opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (de algemene opsporingsambtenaar) bevoegd waren tot opsporen van de strafbare feiten van deze wet. Ambtenaren der I&A bezaten enkel opsporingsbevoegdheid aan de doorlaatposten die niet door de Koninklijke Marechaussee werden bediend
  14. Een transactie is het vrijwillig voldoen aan een door een vervolgende instantie gestelde voorwaarden, tengevolge waarvan deze instantie afziet van vervolging
  15. Met name genoemde wegen (buiten de officiële grensovergangen) waar men met een speciale vergunning (vergunning klein grensverkeer) de grens mocht passeren
  16. Verklaring van het Uitvoerend Comité over de controlemaatregelen die moeten plaatsvinden aan de buitengrens van het Schengengebied. Verder voorziet het Schengen-acquis in de samenwerking tussen Politiekorpsen uit de deelnemende landen. Een gezamenlijk informatiesysteem voor gezochte misdadigers, vermiste personen en gestolen voorwerpen
  17.  Het uitvoerend Comité
  18. Aan de rechtbank van een ander land (de opeiser) overleveren van een verdachte